Zwerven in de oerverhalen

Voor wie er oor voor heeft, zijn de oerverhalen in de Bijbel vanaf het allereerste begin broeierig. Sommige bijbelvertalers horen het al in het woord ‘zweven’, van de Geest over het water. Vergelijk bijvoorbeeld lied 701 (Nieuwe Liedboek), dat de scheppende Geest weergeeft met: ‘Zij zit als een vogel, broedend op het water, onder haar de chaos van de eerste dag’. Ook bij de slang broeit het en tussen Adam en Eva. En tussen de twee zoons van Adam en Eva: Abel … en Kaïn. 

Start film hieronder door op de play-knop te drukken. Tekst onder het filmpje gaat verder.

Sinds Abel is gestorven, broeit het des te meer in Kaïn. Als zijn ouders vragen waar zijn broer is, antwoordt hij semi-onverschillig: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ (Genesis 4:9) Hij neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn aandeel in de dood van Abel, hij kijkt weg. Hoe lang houdt Kaïn dit wegkijken vol, als zijn levensverhaal zich ondertussen verder schrijft en hij ook deel blijft uitmaken van de levensverhalen van anderen? Lukt het hem om de verantwoordelijkheid voor zijn eigen schuld te blijven ontlopen?
Dat zijn de vragen die we verkennen in de musical KAIN.

De musical opent met een man die naar beste weten even schuldig of onschuldig is als ieder ander. Hij zoekt naar wie hij zelf is, in gesprek met zichzelf en met de mensen om hem heen. Zo betreedt hij het toneel van de oerverhalen, als één van ons die van binnenuit meemaakt wat er in de oerverhalen gebeurt. Hij nodigt ons uit om door zijn ogen mee te kijken. 

Maar hoe betrouwbaar zijn de ogen van Kaïn, Kaïn de wegkijker?

De musical begint op het moment dat het plan om ‘een toren te bouwen die tot in de hemel reikt’ (Genesis 11:4) in duigen valt. Dat wordt in KAIN verbeeld doordat mensen de bouw niet alleen staken (Genesis 11:8) maar de toren ook daadwerkelijk instort. Deze verbinding met de hemel breekt zichtbaar stuk. Verbinding verbroken.

Kaïn ziet het, als van een afstandje. Is het zijn eigen wereld die instort? Rondom hem ziet hij hoe onvermoeibaar mensen opnieuw beginnen met bouwen. Hem maakt dat zwartgallig. Hij ziet geen positieve werkers aan een hemel op aarde. Kaïn ziet eendrachtige vechters voor eigen belangen. En dat kan alleen maar tot nieuwe puinhopen leiden.

Dan volgt een flashback. Het is of de confrontatie met onoplosbare puinhopen ons terugbrengt in een leven voordat Kaïns eigen puinhopen begonnen. Het paradijs is nog voelbaar, al is het met heimwee. Adam en Eva hebben al gegeten van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad (Genesis 3:6) en zijn al uit het paradijs verdreven (Genesis 3:23). Maar zoals dat gaat met veel mensen die gewenst zwanger worden… in de zwangerschap is iets van een nieuw paradijs aanraakbaar. Met die aanraking begint deze scène. Het is een plaatje als ‘van toen alles nog goed was’, toen iedereen nog harmonieus samen was. Adam, Eva, Abel en Kaïn. 

Maar ook dat begint al snel te broeien. Een intrigant steekt zijn kop op, net zoals eerder de slang dat deed (Genesis 3:1-5). Hij weeft zijn intriges, gevoelig als hij is voor spanningen en verborgen verlangens, en eager als hij is om die tot uitbarsting te laten komen. Zijn mikpunt is de zwangere Eva, in al haar kwetsbaarheid. Of mikt hij al op het broeinest in haar buik? Op die twee broertjes die daar nu nog deel uitmaken van het perfecte plaatje?

De volgende scène schudt ons weer wakker. We zijn terug in de puinhopen. En terug bij Kaïn, die inmiddels geleerd denkt te hebben dat wederopbouw niet voor hem bestemd is. Hij is het tegenovergestelde van zoiets als opstanding. Bij Kaïn stort juist alles in dat hij begint. Langzaam verzoent hij zich met het feit dat hij kennelijk geschapen is om een zwerver te zijn en nergens thuis te zijn (Genesis 4:12).

Vervolgens belanden we in het hart van het scheppingsproces. Zitten we daarmee in Kaïns hoofd, die het zich voorstelt? Of zitten we slechts in KAIN, de musical? Dat blijft open. De Schepper wordt verbeeld in een veelheid van personen. De discussie die zij al doende voeren, is de broedplaats van de schepping. Ze broeden op hun ideeën, geven die creatief vorm en werken zo de schepping uit, met stof en aarde (Genesis 2:7) en met behulp van wat er is (Genesis 1 en 2).

Al snel mengt echter ook de intrigant zich in dat spel. Hij doet dat niet door zelf te scheppen, maar door het broeden te storen. Hij verstrooit zo de creativiteit en probeert er iets van een strijd in te ontketenen. Iets van onoplosbare puinhopen. Degene die echter geen vat krijgt op het scheppingsproces is de intrigant. Zo blijkt als in het lied ‘Tohoe wavohoe’ (een bewerking van Genesis 1) de Geest alle ruimte wint.

Met het gestommel van Aartsvader Noach (ontleend aan Genesis 9:20-21) begint scène 5. De ellende van de wereld rolt over Noach heen en zijn enige verweer lijkt de fles. Maar die brengt deliriums. Als in één daarvan ontmoet Noach een godenzoon en -dochter; giganten, helden uit een voor ons ver verleden (Genesis 6:2-4), waar Noach echter nog dichtbij staat (Genesis 5:32). Onderwerp van gesprek: hoe bannen we het kwaad uit. Noach grijpt de vraag meer aan dan de godenzonen en -dochters. Hij voelt zich geroepen ìets te doen en bouwt een schip. Kaïn, zwerver in de oerverhalen, zorgt dat hij erbij is. Misschien is dit het moment dat Kaïn zich voor het eerst laat aanspreken door de vraag of hij deel wil uitmaken van een verbond. Hij wil aan boord.

Noach ondertussen heeft nog een rechtsgeding uit te vechten voor God en mensen. De uitspraak luidt uiteindelijk: ‘Wordt vervolgd’. Onuitgesproken blijft wat een rechtvaardig oordeel is over twee belangrijke vragen. Ten eerste de vraag wat voor God het is die kennelijk de aarde laat vergaan ten gunste van een handje vol dieren en mensen in een schip. En ten tweede wat voor mensen het zijn die zich, als Noach, door die God geroepen weten. Een broeierig iets om over na te denken?

Daarna keert er, in de bonte dierenparade (scène 7, Genesis 7) iets van het paradijs terug. Al blijft de echo van een verwoeste aarde te lang doorklinken om het echt gezellig te maken. Vervolgens breekt de regenboog door (Genesis 9:12-17) in een enscenering die rechtstreeks verbonden is met de scheppings-Geestkracht uit een eerdere scène. Hier verbeeldt een veelheid van personen, elk in andere kleuren van de regenboog, de veelkleurigheid van het verbond met God. Niet het broeien doet zo’n pijn, maar het daarin niet-verbonden zijn. Noachs keuze voor verbondenheid vindt een antwoord in het hart van God. Net zoals Kaïns aarzelende keuze daarin mee te willen gaan.

Psalm 104 is het veelkleurige hart van deze musical, waarin het broeien, de creativiteit, de geslotenheid, het zwerven, het scheppen en het gescheiden zijn daarvan alle worden verbonden. Niet toevallig zijn in het woordbeeld van de psalmbewerking ook trekken van Job 38 en 39 te herkennen. De psalm vormt, naast een gezang van mensen, ook een gevoeld antwoord van God die als Schepper van nieuw uitzicht door alle ellende heen breekt.

Kaïn durft tenslotte terug te keren tot waar het allemaal begon. Het broeinest, de broedertwist. De harde slag. De moord (Genesis 4:8). ‘Waar is je broer?’ In KAIN is het Eva die het vraagt. En we zien hoe Kaïn het antwoord niet over de lippen krijgt. Hij kijkt weg. Maar mèt dat wij dat zien, ziet Kaïn het nu ook zelf onder ogen. Hij, de zwerver, zoekt, naar wat zijn plek dan is op aarde. Is er nog een mogelijkheid om een thuis te vinden? Die zoektocht is er een die niet alleen voor Kaïn geldt. Ze is met de hele schepping verbonden. Hoe ga je, middenin de schepping, om met mensen die duivelse dingen doen? 

‘God, wilt u hem alstublieft beschermen?’ bidt Adam als Kaïn zich uit alle verbondenheid terugtrekt. Maar welke hulp is dat? Kom je ooit met de moordenaar van je kind in het reine, ook al is die moordenaar je andere kind? Met die vragen komen we de scène binnen van het verlies, het verloren zijn. Twee verloren zonen, twee verloren ouders, en dat alles op een steenworp afstand van wat eens zo paradijslijk was.

Het is Eva die als eerste, net zoals eerder Kaïn, zich ermee verzoent dat ze kennelijk geschapen is om een zwerver te zijn en nergens thuis te zijn. Want ze wil bij haar kind zijn, de enige die ze nog heeft. Als Kaïn vervolgens voor het eerst luid en duidelijk zegt wie hij is, en onomwonden staat voor wie hij is, schrikt hij van de heftige reacties en vooroordelen. Verbinden moet van twee kanten komen, en dat lukt niet in alle gevallen.

Terwijl de mensen om Kaïn heen weer aan het bouwen slaan, en zo hun werk uit de beginscènes vervolgen, raakt Kaïn zichtbaar in de knoop met zichzelf.

Kaïn 2 komt op, iemand die als hijzelf is. Is het een broer, een schaduw? Het blijft open. Kaïn spreekt met diegene als met zichzelf. Hij kijkt niet langer weg, hij ziet zichzelf onder ogen, tot en met de goede en slechte kanten. En zoals Eva ging zwerven om te vinden, vertelt ook Kaïn hier, aan zichzelf, dat hij het zó nodig heeft om iemand te vinden. Iemand die met hem wil wonen, en wil delen; zowel de goede als de slechte eigenschappen. Die hartenwens van Kaïn mondt uit in het lied ‘Er is leven’ en voorzichtige toenadering. Daarmee besluit de musical hoopvol maar tegelijk realistisch.